Salondansen zijn de Cubaanse dansen die uit Europese balzaaldansen voortkwamen: van de contradanza in groepen en rijen tot de danzón, de cha-cha-chá en de mambo voor paren. Ze vormen één doorlopende lijn, en de casino die op timba gedanst wordt, leent er nog altijd figuren uit.
De lijn begint bij de contradanza, de Spaanse versie van de Franse contredanse, die zelf weer afstamt van de Engelse country dance. In Cuba namen alle lagen van de bevolking hem over, en halverwege de 19e eeuw had de muziek het Afrikaanse tresillo-ritme opgenomen. Daarna kwam de danza: muzikaal vrijwel gelijk, maar anders gedanst.
Met de danzón (1879) kwamen de paren echt dicht bij elkaar. Critici vonden dat schandalig, ook omdat klassen en rassen zich op de dansvloer mengden. Toch werd het de populairste dans van Cuba, en nog altijd de officiële nationale dans. Typisch voor de danzón is de paseo: tijdens die terugkerende inleiding stoppen de paren, praten wat en beginnen daarna opnieuw.
Bij deze dansen hoort een eigen orkest. Toen het dansen naar binnen verhuisde, vervingen fluit en violen het koper en de klarinetten van de orquesta típica, en kwamen er timbales bij. Zo ontstond de charanga, die tot vandaag bestaat: ook Los Van Van en La Charanga Habanera worden tot de charanga's gerekend.
Uit de danzón groeiden nieuwe dansen. De danzonete voegde in 1929 zang toe. In 1938 schreef Orestes López de danzón Mambo, met een vrij, gesyncopeerd slotdeel: de kiem van de mambo, die in de jaren 1950 met Pérez Prado en het Palladium in New York een wereldwijde dansrage werd. De langzamere cha-cha-chá, ook uit de danzón voortgekomen, nam halverwege de jaren 1950 die plaats over.
De casino, de paardans waarop timba gedanst wordt, ontstond in de jaren 1950 in dezelfde danszalen. Dansers combineerden de son met figuren uit de mambo, de cha-cha-chá en de rumba, en ook de danzón wordt genoemd als invloed. Zie voor de muziekgeschiedenis het tijdperk Salon.