Changüí is de landelijke dans en muziek uit Guantánamo in Oost-Cuba, en een van de directe voorouders van de son. Hij wordt gedanst zonder clave, met een glijdende, schuifelende pas: de voeten blijven dicht bij de grond in plaats van op te tillen.
Geen clave
Changüí ontstond in de 19e eeuw in het oosten van Cuba, rond Baracoa en Guantánamo, op de suikerplantages en in landelijke gemeenschappen. Hij combineert Spaanse elementen (de liedvorm en de gitaar, waaruit de tres groeide) met Afrikaanse ritmes en percussie. Changüí stamt af van de nengón en is verwant aan de kiribá.
En, net als bij de dans: geen clave. Dat is het grote verschil met de son.
Changüí wordt gezien als een voorloper van de son montuno, en daarmee van de salsa. Via orkesten uit Guantánamo, zoals dat van Elio Revé, kwamen changüí-elementen ook in de dansmuziek van Havana terecht.
Volgens EcuRed is changüí het genre dat het dichtst bij de son staat, met wortels in de bergen van Guantánamo, waar families het sinds ongeveer 1860 spelen. Er waren geen vaste groepen: zodra er een tresspeler op een feest verscheen, sloten de anderen aan, en zo'n feest kon twee of drie dagen duren, vooral rond Kerstmis en oud-en-nieuw. De bongó de monte is groter dan de gewone bongó en speelt accenten zoals de quinto in de rumba. Een changüí bestaat uit de copla, door de hele groep gezongen, en de montuno, waarin een solist improviseert en het koor antwoordt. Ook Arsenio Rodríguez, Juan Formell (Los Van Van) en Elio Revé putten eruit.