Tumba francesa is muziek en dans die Franse kolonisten en hun tot slaaf gemaakten na de Haïtiaanse Revolutie naar Oost-Cuba brachten: West-Afrikaanse muziek, vooral uit Congo en Dahomey, gecombineerd met Franse salondansen. UNESCO erkende haar in 2003 als meesterwerk van het immaterieel erfgoed.
Na de Haïtiaanse Revolutie (1791–1804) vestigden Franse kolonisten zich met hun tot slaaf gemaakten in Guantánamo en Santiago de Cuba. Op de koffieplantages namen de tot slaaf gemaakten "aristocratische" invloeden over van hun meesters, zoals de Franse contradans. Ze vierden hun feesten eerst op de droogvloeren voor koffie; later ontstonden sociedades, georganiseerd naar het voorbeeld van de Franse adel, met een "koning" of president en een koningin. Het woord tumba is Congolees en betekent "feest".
De danseressen dragen lange jurken en kleurige hoofddoeken, met kettingen en waaiers; de mannen dragen witte hemden en broeken. De instrumenten zijn de catá, de premier (de grootste trom), de bulá en de second (samen de tumbas), de tamborita en de chachás.
Er zijn nog drie sociedades: La Caridad de Oriente in Santiago de Cuba (sinds 1862, eerst Lafayette genoemd), La Pompadour (Santa Catalina de Riccis) in Guantánamo (sinds 1902) en Bejuco in Sagua de Tánamo (Holguín).