![]()
De conga (ook wel tumbadora genoemd) is de primaire handtrommel van de Cubaanse muziek en de ritmische ruggengraat van timba, son, rumba en salsa.
Waar de conga precies vandaan komt is niet bekend. Volgens Wikipedia ontwikkelden Afro-Cubanen hem eind 19e of begin 20e eeuw; als directe voorlopers gelden de yuka- en makuta-trommels (van Bantoe-oorsprong) en de bembé-trommels (Yoruba). De naam conga komt van het carnavalsritme la conga; in Cuba heet de trommel tumbadora. Eerst speelde elke drummer één trommel, in de conga en de rumba.
| Slag | Beschrijving |
|---|---|
| Open toon | Volle resonante toon, vingers samen, slag nabij de rand |
| Gedempte toon | Gedempt geluid, palm blijft op het slagvel na het slaan |
| Klap | Scherpe, snijdende knal — vingers raken de rand en stuiteren |
| Bastoon | Diepe, lage slag in het midden van het slagvel |
| Touch/Ghost | Stille, bijna geluidloze noot om ritmische ruimte te vullen |
Volgens Wikipedia kwam de conga eind jaren 1930 in de bands en werd hij in de jaren 1940 vast onderdeel van de mambo-orkesten; Arsenio Rodríguez nam een tumbadora op in zijn conjunto. In son en salsa speelt de conga de marcha of tumbao, een herhalend patroon dat de groove verankert. Volgens EcuRed gebruikt een sonconjunto er meestal één of twee. In rumba (guaguancó, columbia, yambú) zijn het er volgens EcuRed meestal drie, van laag tot hoog; de quinto, de hoogste, improviseert.
Volgens Wikipedia klinkt in timba vaak de standaard marcha uit de salsa, maar er zijn ook veel varianten. Sommige congueros componeren een eigen marcha per nummer, en veel timba-marchas zijn twee of zelfs vier keer zo lang als de standaard.