
De güiro is een getande kalebas die met een stokje of vork wordt bestreken om een raspend, ritmisch geluid te produceren. Het is een vast onderdeel van charanga-orkesten en staat centraal in danzón, cha-cha-chá, son en salsa.
Over de herkomst zijn de bronnen het niet eens. Volgens Wikipedia worden de Taíno van het Caribisch gebied als bedenkers gezien: zij maakten de güajey, een lange kalebas of dierenbot met inkepingen. Het woord güiro komt uit het Arawak. EcuRed noemt de güiro juist van Afrikaanse oorsprong, en ook Wikipedia wijst op schraapinstrumenten uit West- en Centraal-Afrika.
Een gedroogde, uitgeholle kalebas met inkepingen in het oppervlak. Bespeeld door een dun houten of metalen stokje over de inkepingen te trekken met lange (langzame) of korte (snelle) streken. De combinatie van lange en korte schraapbewegingen creëert het kenmerkende gesyncopeerde ritme.
Volgens EcuRed is de güiro in Cuba onmisbaar in het ritme van de danzón en de cha-cha-chá, waaraan hij een echte criollo-smaak geeft. Dat zijn de stijlen van de charanga, naast fluit, violen, piano, bas en timbales.
Net als de maracas wordt de güiro volgens Wikipedia vaak door een zanger bespeeld. Hij hoort ook in de son en de trova. De Cubaanse güiro is volgens EcuRed dikker dan de Puertoricaanse en de standaard in de salsa.