De gitaar kwam met de Spanjaarden naar Cuba. Volgens EcuRed spelen mensen uit alle lagen van de bevolking haar, in de punto, in bijna alle vormen van de son en in het lied. Uit de Spaanse gitaar groeide de tres.
Volgens EcuRed begeleidt de gitaar dans en zang in de meeste Cubaanse volksgenres: de punto cubano, bijna alle vormen van de son (behalve de changüí) en de verschillende soorten lied. Haar hoofdtaak is de harmonie. Samen met de laúd en de tres, die de melodie en de improvisatie verzorgen, vormt zij de bezetting van punto en son. Spelen er twee gitaren, dan speelt de ene melodie en tegenmelodie, en begeleidt de andere met akkoorden en baslopen.
Volgens Wikipedia ontstond de tres rond 1890 in Baracoa uit vroege gitaren. In het klassieke sonsexteto van de jaren 1920 stonden gitaar en tres naast elkaar, met bongo, claves, maracas en contrabas. Zie Tres.
Het Trío Matamoros (1925) verdeelde alle lagen van de son over drie stemmen, twee gitaren en maracas. Volgens Wikipedia tokkelde Rafael Cueto zijn snaren in plaats van te slaan: het guajeo in de hoge en de tumbao in de lage snaren.
Volgens Wikipedia zette Arsenio Rodríguez eind jaren 1930 in zijn conjunto de piano in plaats van de gitaar. Zo verdween de gitaar uit de voorste rij van de dansband. In de trova en het bolero bleef ze de begeleider van de stem.