De batá-trommels zijn een set van drie dubbelzijdige, zandlopervormige trommels die centraal staan in de Yoruba-religieuze traditie en de Afro-Cubaanse sacrale muziek (Lucumí / Santería).
Elke trommel heeft twee slagvellen van verschillende grootte, die aan elke kant een andere toonhoogte produceren. Ze worden horizontaal over de schoot of rechtopstaand bespeeld.
| Trommel | Rol |
|---|---|
| Iyá (moeder) | Grootste trommel, de leidstem — improviseert en roept |
| Itótele (midden) | Middentrommel — reageert op de Iyá |
| Okónkolo (klein) | Kleinste trommel — houdt vaste, fundamentele patronen |
Volgens EcuRed kondigt de Iyá het toque aan met een llame (roep) en laat dan de andere twee invallen; daarna improviseert hij, binnen vaste modellen per orisha. Itótele en okónkolo spelen stabielere, herhalende patronen. Bij gezang begint de zanger (akpwon), vaak met een acheré (rammelaar) in de hand, maar de Iyá blijft het ensemble leiden.
De batá-trommels stammen van het Yoruba-volk uit West-Afrika (het huidige Nigeria en Benin) en werden via de slavenhandel naar Cuba gebracht. In Cuba werden ze centraal in de Lucumí-religieuze praktijk (populair bekend als Santería of La Regla de Ocha).
Elk toque (ritmisch patroon) op de batá is gewijd aan een specifieke Orisha (godheid) en wordt gebruikt om die Orisha op te roepen, te eren of mee te communiceren tijdens religieuze ceremonies. Zie de batá-toques voor een overzicht per toque.
Volgens Wikipedia klonken de batá in 1935 voor het eerst publiekelijk, op de Cubaanse radio. Niet-gewijde batá worden nu ook gebruikt in timba, jazz en hiphop. In de jaren 1970 was er de son-batá of batá-rock, sterk beïnvloed door Irakere.