Oyá is de Orisha van stormen, wind, bliksem, dood en transformatie. Ze bewaakt de poorten van de begraafplaats en is de enige Orisha die de dood niet vreest.
Oyá is fel, onvoorspelbaar en krachtig. Ze is Changó's primaire krijgersmetgezel — de twee vechten samen in stormen, met Changó als de donder en Oyá als de wind. Ze is een krijgersgodin die ook diep verbonden is met de voorouders en de doden.
Oyá's toques weerspiegelen haar vluchtige, dramatische natuur:
Karakter: dramatisch, snel, onvoorspelbaar, krachtig.
Oyá's ceremonies zijn nauw verbonden met dood en transformatie. Zij is de Orisha om aan te roepen bij het oversteken van grote levensdrempels of bij het werken met de vooroudergeesten (egungun). Haar aanwezigheid op de begraafplaats maakt haar een noodzakelijke bemiddelaar voor elk werk dat de doden betreft.
De Oyá-dans is dynamisch en draaiend — de danser beweegt snel, rokken vliegen, armen uitgestrekt als wind. Snelle draaien, dramatische pauzes en plotse richtingsveranderingen kenmerken de beweging. Het is een van de energetisch meest veeleisende Orisha-dansen.